Vijfhonderd euro. Dat is minder dan wat we in een maand aan boodschappen uitgeven, en het was precies het verschil tussen ons bod en dat van de koper die het huis kreeg.
Het ging om een tussenwoning in Zwolle-Noord, uit dezelfde jaren als de rest van de straat, met een uitgebouwde keuken en een tuin op het noorden. Vraagprijs € 299.000. We zagen het op zaterdag 22 februari, gingen woensdag nog een keer kijken en boden vrijdag, vlak voordat de biedtermijn van twaalf uur afliep. Met financieringsvoorbehoud, net als de vorige keer, maar nu wel met de vraag aan de makelaar wat de verkopers belangrijk vonden. Het antwoord: "Vooral een goede prijs." Helder.
Bij de tweede bezichtiging hadden we een rolmaat, een zaklamp en een lijstje mee. Ik keek onder het kruipluik (droog, gelukkig), Bram mat de woonkamer op en tikte op de kozijnen. De verkopers woonden er al sinds de jaren negentig en hadden de keuken zelf laten uitbouwen. Je zag dat er met zorg in was gewoond, en dat maakte het afscheid twee dagen later er niet makkelijker op.
Een bod tot op de euro
Na twee keer overboden wilden we geen bedrag meer kiezen omdat het "wel goed voelde". Dus rekenden we terug vanaf wat we echt konden en wilden. Donderdagavond zaten we er samen voor, met een pot thee en een rekenmachine die ik niet nodig had maar wel fijn vond om vast te houden.
- Eigen geld op de rekening: € 37.500
- Kosten koper (schatting): € 7.000
- Buffer die we niet aanraken: € 12.000
- Wat overblijft voor de koopsom: € 18.500
- Hypotheek waarbij we netto ongeveer onze huidige huur betalen: € 312.000
€ 312.000 plus € 18.500 is € 330.500. Dat werd ons bod, ruim tien procent boven de vraagprijs. Bij die hypotheek kwam de bruto maandlast volgens onze adviseur rond de € 1.450 uit, en netto net iets boven de € 1.095 die we nu aan huur kwijt zijn. Die buffer van € 12.000 stond er niet voor de sier. Als de taxateur het huis lager waardeert dan de hypotheek, moet je het gat zelf dichten, en bij een bod zo ver boven de vraagprijs is die kans niet nul.
Het telefoontje
Vrijdagmiddag om vijf over vier belde de makelaar. Ik zat op kantoor en liep met mijn telefoon de gang op. "Jullie zaten er heel dicht bij," zei ze. Ik vroeg hoe dicht. "Vijfhonderd euro." Het huis ging voor € 331.000 naar iemand anders.
Ik weet nog dat ik "oké" zei en "fijn dat je het laat weten", en dat ik daarna tien minuten naar het kopieerapparaat heb staan staren. Vijfhonderd euro, op een huis van ruim drie ton. Je kunt het afdoen als pech, en dat is het ook. Maar het voelde als een bus die wegrijdt terwijl je hand al op de deur ligt.
Hadden we meer moeten bieden?
Die vraag heb ik mezelf het hele weekend gesteld. Het eerlijke antwoord: misschien. Toen ik onze rekensom maandag aan de adviseur liet zien, zei die dat een buffer van € 11.000 ook verantwoord was geweest. Dan hadden we € 1.000 meer kunnen bieden, en dan hadden we nu misschien een huis gehad.
Maar we hadden die grens niet voor niets gezet. Als je bij elk bod je eigen plafond een stukje optilt, heb je op een gegeven moment geen plafond meer. Wat ik wel anders zou doen: de rekensom vóór het bieden langs de adviseur sturen in plaats van erna. Dan weet je of je grens op de goede plek ligt, in plaats van achteraf te horen dat er nog een beetje ruimte was.
Donderdag staat er alweer een bezichtiging in de agenda, een paar straten verderop. Dat huis kwam online op dezelfde vrijdag dat we dit bod verloren; ik zag de Funda-melding een uur na het telefoontje en heb uit pure koppigheid meteen een bezichtiging aangevraagd. Bram was die avond de nuchterste van ons tweeën. "Dan hebben we in elk geval niet te veel betaald," zei hij, en hij ging tosti's maken.




